You are looking at posts that were written in the month of januari in the year 2008.
| M | D | W | D | V | Z | Z |
|---|---|---|---|---|---|---|
| « Nov | Apr » | |||||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | |
| 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 |
| 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 |
| 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 |
| 28 | 29 | 30 | 31 | |||
Literaire analyse (aan de hand van voorbeelden uit de Jakobverhalen).
Na een inspirerende inleiding is aan de hand van een aantal teksten gekeken naar de opbouw en onderlinge verbanden. Voor veel deelnemers een nieuwe kijk op teksten in de Bijbel. De open sfeer en ruimte die een ieder heeft gekregen om zijn of haar opmerkingen te maken heeft het weer tot een bijzondere bijeenkomst gemaakt. In de bijgaande presentatie meer info om nog eens na te lezen en te overdenken. Inleider en deelnemers, hartelijk dank!
Boekbespreking
Auteur: Harold Kusner
Titel: Als het kwaad goede mensen treft
(De Gelovige en het Lijden)
Lezen: Psalm 121: 1, 2: ‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft.’
Over Harold Kusner (1935)
Amerikaans rabbijn, behorend tot de conservatief-joodse richting, waarbinnen hij tot de progressieve vleugel behoort.
Als student theologie maakte hij een studie van het boek Job.
Hij werd vooral bekend door zijn boek Als het kwaad goede mensen treft, geschreven na de dood van zijn 14-jarige zoon.
Hij groeide op met het beeld van God als een alwijze, almachtige vaderfiguur en dat gehoorzaamheid wordt beloond; als wij zondigen bestraft hij ons.
Toen hij te horen kreeg dat zijn zoon niet oud zou worden schreef hij: ‘Het was zo onredelijk! Hoe kon God mij dit aandoen? Ik had altijd geprobeerd te doen wat goed was in Gods ogen. En ook al zou ik straf verdienen, waarom moest mijn zoon dan lijden?’
Door aan te nemen dat wij krijgen wat we verdienen, proberen we een plaats te geven aan het lijden. Hij wist toen dat hij eens dit boek zou schrijven als een gelovig mens, die van het leven een harde klap had gekregen.
Zijn geloofswereld stortte in. Zegt Spreuken niet dat de rechtvaardige niet door onheil wordt getroffen; dat de goddelozen worden bedolven onder ellende? (12:21).
En in het boek Job vraagt Elifaz aan Job: ‘Ken jij onschuldigen die hij te gronde richtte? Werden rechtschapenen ooit in het ongeluk gestort? (4:7).
Maar biedt dat ook troost? Wat heb je eraan?
Wie zou na Auschwitz, Rwanda, of bij het zien van het lijden in ziekenhuizen en verpleegtehuizen durven zeggen met Jesaja:
‘Zeg van de rechtvaardige dat het hem zal welgaan?’
Job geeft Elifaz antwoord. Hij bestrijdt dat hij schuld heeft aan zijn lijden.
En geleidelijk verschuift Jobs dispuut met zijn vrienden naar een dispuut met de Heer.
Zegt hij eerst tegen Elifaz: ‘Ik ben een broos en kwetsbaar mens; mijn toestand is uitzichtloos. Wie een vriend in nood laat vallen, die schort het aan ontzag voor God…’
Tegen God zegt hij, nadat deze vol ironie tot hem heeft gesproken:
‘Heer, ik kende u slechts van horen zeggen, nu heb ik u gezien met eigen ogen. Daarom wend ik mij af van stof en as. Ik keer mij om: ik wil mij niet langer richten op de dood, maar op het leven.’
Job heeft zijn strijd gestreden. Hij heeft afscheid genomen van een God die in het leven het goede beloont en het kwade straft. Hij bekent zich tot een God die anders is.
De God van zijn vrienden durft hij los te laten.
Job is een belangenloze gelovige geworden. Hij doet het goede ‘om niet’, omdat het goede goed is en niet omdat hij ervoor beloond wil worden.
In deze raamvertelling, dit dichtwerk, komt alles op z’n plek.
Bovenal: de liefde tussen God en Job heeft standgehouden en wordt weerspiegeld in de liefde tussen de ene mens en de andere. Job bidt voor zijn vrienden!
‘Uw wil geschiede’ (Matteüs 6:10).
Hoe vaak worden deze woorden niet gezegd als slot van een gebed. Alsof het de wil van God zou zijn dat wij werkeloos of ziek worden! Dat wij een gehandicapt kind hebben of een kind verliezen. God wordt dan vereenzelvigd met wat ons overkomt!
Want lezen we niet: ‘Er valt niet één mus dood neer als jullie Vader het niet wil’?
Maar letterlijk staat er:
‘Er valt niet één ter aarde zonder de Vader’ en dat is heel wat anders. De Willibrordvertaling geeft dat goed weer.
Het gaat dan niet om de wil, maar om de nabijheid.
Waar die wil wel voorkomt is bij Jezus, over het verloren schaap:
‘Zo is de wil niet bij uw Vader: dat één verloren gaat’ (Matteüs 18:14).
‘Uw wil geschiede’ is dan ook een verlangende bede, samen met ‘uw koninkrijk kome’ en ‘uw naam worde geheiligd.’
Hier wordt de aanvoegende wijs gebruikt, waarmee een verlangen wordt uitgedrukt.
Met een bepaald doel?
Kushner zegt op een bepaald moment: ‘Als God ons op de proef stelt, dan zou hij nu wel moeten weten dat we niet allemaal die toets doorstaan. Als hij ons alleen lasten oplegt die we kunnen dragen, dan heb ik hem al te vaak mis zien rekenen.’
Wat is het antwoord van de anonieme schrijver van het boek Job op het raadsel van de onrechtvaardigheid van het leven? Kushner denkt dat de schrijver gelooft in Gods goedheid én in die van Job en hij is bereid zijn geloof op te geven in de almacht van God. Kwade dingen treffen goede mensen in deze wereld, maar dat is niet Gods wil.
Gedwongen om te kiezen tussen een goede God die geen absolute macht heeft en een machtige God die niet absoluut goed is, verkiest de schrijver van het boek Job te geloven in Gods goedheid.
Kushner zegt hierover: ‘Als God een God van gerechtigheid is en niet van macht, dan kan hij nog steeds aan onze kant staan als ons iets kwaads overkomt. Hij kan weten dat wij goede, eerlijke mensen zijn, die beter verdienen. Ons ongeluk is niet zijn werk en dus kunnen we ons tot hem wenden om hulp’
Onze vraag zal niet die van Job zijn: ‘God, waarom doet Gij mij dit aan?’ maar veeleer:
‘God, kijk eens wat er met me gebeurd is, kunt u mij helpen?’
Daarom zegt de psalmist ook in Psalm 121:1 en 2:
‘Mijn hulp komt van de Heer’ en niet:
‘Mijn ellende komt van de Heer’.
Kushner schrijft:’ Ik weet niet waarom de ene mens ziek wordt en de andere niet; ik kan alleen maar aannemen dat hier natuurwetten aan het werk zijn die we niet begrijpen. Ik kan niet geloven dat God om een bepaalde reden een ziekte ‘zendt’ aan een bepaald persoon.’
‘Het enige wat we kunnen doen is proberen uit te stijgen boven de vraag: waarom moest dit gebeuren? om in plaats daarvan de vraag te gaan stellen: ‘Nu het me overkomen is, wat doe ik nu?’
Wat is dan nog de zin van religie en gebed?
Kushner beschrijft die rol aan de hand van de diverse rituelen bij rouw en verdriet en spreekt over de troost die we elkaar kunnen bieden.
Het gebed in de gemeenschap der gelovigen verlost mensen van hun eenzaamheid.
Maar het gebed brengt ons niet alleen met anderen in aanraking; het brengt ons ook in aanraking met God.
Kushner legt uit wat hij bedoelt met wat het gebed zou moeten en kunnen zijn door twee gebeden uit de Bijbel naast elkaar te leggen. Beide gebeden staan in het boek Genesis.
In hfdst. 28 wordt verteld hoe Jakob op de vlucht is voor Esau. In de eerste nacht ver van huis krijgt hij een droom en bidt dan:
‘Als God mij ter zijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft… en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal de Heer mijn God zijn. Deze steen die ik gewijd heb, zal dan een huis van God worden – en ik beloof dat ik u dan een tiende deel zal afstaan van alles wat u mij geeft.’
Als God… dan zal ik….
Jakob is hier een bange jongeman, die denkt dat hij God kan ‘omkopen’. Maar Gods zegeningen zijn niet te koop. En dat ondervindt Jakob dan ook in z’n verdere leven.
In het 32e hoofdstuk komen we Jakob weer tegen, op dezelfde plek, nu 20 jaar later.
Opnieuw gaat Jakob in gebed, alleen klinkt dat nu heel anders:
‘God van mijn voorvaderen… ik ben al die weldaden en al die trouw die u aan mij, uw dienaar, bewezen hebt niet waard… Red mij uit de handen van Esau.’
Nu is er maar één reden voor zijn gebed: hij heeft God nodig. Hier geen lange lijst van eisen. Hij vraagt niet of God wil maken dat Esau weggaat. Hij vraagt God alleen of hij hem wil helpen, zodat hij er niet alleen voor staat.
Kushner zegt dan: ‘Dit is het soort gebed dat God verhoort. We kunnen niet bidden dat hij de problemen en zorgen bij ons weghoudt. We kunnen hem niet vragen om een magische spreuk rondom ons te weven, zodat de kwade dingen alleen andere mensen zullen overkomen, nooit ons.
Maar mensen die bidden om moed, om kracht om het ondraaglijke te dragen, om de genade dat ze gaan beseffen wat ze nog wél hebben, in plaats van te denken aan wat ze verloren hebben, die zullen merken dat hun gebeden verhoord worden.’
We krijgen versterking vanuit een bron die buiten onszelf ligt. En in de wetenschap dat we niet alleen zijn, dat God aan onze kant staat, slagen we erin om verder te gaan.
Hans Bouma zegt in een gedicht dat hij ‘een belijdenis noemt’:
‘Niets zichtbaars
niets tastbaars
Hij maakt het ons
wel moeilijk
Een mens wil wel eens
wat zien, wat voelen
Ik moet Hem maar geloven
op zijn woord
Hij vraagt het uiterste
Hij vraagt vertrouwen.’
Aan het eind vraagt Kushner: ‘Bestaat er een antwoord op de vraag waarom het kwaad goede mensen treft?’
Dat hangt ervan af wat we met ‘antwoord’ bedoelen.
Als we bedoelen: ‘Is er een verklaring die aan alles een zin geeft?’ dan is er waarschijnlijk geen bevredigend antwoord.
Maar het woord ‘antwoord’ kan net zo goed ‘reactie’ betekenen en in die zin is er misschien wel een bevredigend antwoord.
Die reactie is om onze handen uit te strekken naar de mensen rondom ons en ondanks alles door te gaan met leven.
Het gaat dan niet om,: waarom is mij dat overkomen, maar: hoe reageren we, wat gaan we doen nu het gebeurd is!
Laten we onszelf de vraag stellen:
Ben ik in staat om de wereld te vergeven die mij heeft teleurgesteld door haar onvolmaaktheid. Kan ik die wereld liefhebben omdat ze ook mooi en goed kan zijn en omdat het de enige is die we hebben?
Ben ik in staat de mensen om mij heen te vergeven en lief te hebben, ook al hebben ze me gekwetst en in de steek gelaten door niet volmaakt te zijn?
Ben ik in staat God te vergeven en lief te hebben, ook al ben ik teleurgesteld omdat hij ziekte, tegenspoed en wreedheid heeft toegelaten?
En zijn u en ik dan ook in staat om te erkennen dat het vermogen om lief te hebben en te vergeven de wapens zijn die God ons heeft gegeven, om een compleet, moedig en zinvol leven te leiden in een niet zo volmaakte wereld?
Discussiepunten
1. God heeft zo zijn redenen om ons te treffen met onheil.
2. ‘De Here bestraft wie Hij liefheeft’ (Spr. 3:12).
3. Als God het lijden niet bij ons kan weghouden, in welk opzicht kan het gebed ons helpen wanneer we lijden?
4. Wat kunnen mensen hierin voor elkaar betekenen?
Zend ons een engel in de nacht
als alles ons een raadsel is,
als ons de zekerheid en kracht
ontvallen in de duisternis.
Zend ons een engel ieder uur
dat ons ontvoert van u vandaan,
wanneer wij voor de blinde muur
van uw geheime plannen staan.
Zend ons een engel met uw licht
in onze slaap, de metgezel
die troost brengt in het vergezicht
van God met ons, Immanuel.
Zend ons in hem de zekerheid
dat u ons zelf bezoeken zult
en bij ons wonen in uw tijd,
en leer ons wachten met geduld.
(Michel van der Plas)
Met dank aan de inleidster.